|
Paul Baars - Mijn kennismaking met de Orthodoxe traditie
Ik ben geboren in 1955 in Breda in een Rooms-katholiek gezin. Mijn vader was vrij streng, mijn moeder was opener. Mijn ouders waren "oblaten" van de St. Paulusabdij in het naburige Oosterhout. (Oblaten zijn leken met een speciale band met een abdij.) Zo leerde ik al vroeg de klassieke Katholieke liturgie kennen en waarderen. Na het Tweede Vaticaans concilie waren de monniken al begonnen het officie (de Uren) in het Nederlands te vertalen en van nieuwe "gregorianiserende" melodieën te voorzien. De eucharistie was grotendeels in het Latijn en het gregoriaans gelaten. Het resultaat was de moeite waard. Mijn muzikaliteit heb ik van mijn moeder, die een heel goede pianiste was. Mijn moeder had een brede muzikale belangstelling. Voorop stond de Romantische muziek van Chopin en Schubert. Maar later kreeg ze ook gevoel voor Barokmuziek, jazz en zelfs popmuziek. Ze nam mij mee naar concerten van Anne Bijlsma en Frans Brüchen en ook van de klassieke Indiase Sarangi speler Ram Narajan in het Bredase cultureel centrum De Beijer. Vanaf mijn 6de kreeg ik zelf ook pianoles.
Als scholier en student was ik tijdens vakanties vaak in het klooster. Dat vormde een kostbare aanvulling op het gynasium , op al het leren. Ik leerde hier heel andere dingen, zowel van de gestudeerden paters als van de eenvoudige broeders. Van de cantor, Nico Wesseling, kreeg ik mijn eerste zanglessen. Ik ben daar nog steeds dankbaar voor. Mede dankzij hen ben ik altijd gelovig gebleven. Van belang voor mijn muzikale ontwikkeling in die tijd was nog het volgende. Op mijn middelbare school bestond een "muziekworkshop". Leerlingen van alle klassen zaten daar op. De componist Daan Manneke was er de geestelijke vader van. We dompelden ons toen in de renaissance van de Barokmuziek en stortten ons ook op modern klassieke en op de experimentele muziek. Uit die tijd dateert mij haat/liefde verhouding met vormen van moderne kunst (muziek, dans, architectuur). Een flink deel doet mij niks of ergert mij zelfs, maar een deel vind ik juist geweldig. Een midden is er hier voor mij niet!
In 1973 ging ik in Nijmegen Geschiedenis studeren. Ik had geen beschikking meer over een piano. Dus ging ik zingen op het Nijmeegs Barok ensemble. We hadden een keer een generale repetitie, maar er was geen dirigent. Die zat vast in een file. Er stond een Magnificat op het programma. De componist ben ik vergeten. Het stond in een vierkwartsmaat. Ik kon die slaan en ging er dan maar onvoorbereid voor staan. Inzetten aangeven, dat kon ik echt nog niet. Het tempo vroeg ik aan de concertmeester. Tot mij verbazing lukte het toch! Iemand van de Nijmeegse Studentenkerk zag dat, en dacht ten onrechte: die man kan een koor en orkest dirigeren. Die moeten we vragen als dirigent. Ik heb eerst lang getwijfeld, maar tenslotte toch "ja" gezegd. Zo werd ik dirigent van een kerkkoor. Belangrijke dingen lijken altijd toevallig te gebeuren. Maar toeval is voor een gelovig niet een noodlot, maar juist een genade.
Ik had toen nog geen enkele scholing. Maar uiteindelijk lukte het toch en het koor groeide van 7 naar 25 leden. Na vijf jaar stopte ik, omdat ik het te druk kreeg met afstuderen. Het goede van de studentenkerk was, dat je alles kon vragen en onderzoeken. Minder goed was achteraf dat er geen continuďteit in de liturgie was. Iedere zondag vonden we opnieuw het wiel uit. De formule van de themavieringen was achteraf misschien niet zo gelukkig. Beter vind ik de lezingen van het kerkelijk jaar te volgen en ook geconfronteerd te worden met Bijbelteksten, die je op het eerste gezicht niet aanspreken. Het was vermoeiend en niet altijd bevorderlijk voor de kwaliteit. De muziek vormde geen eenheid: het ging van gregorianiserend, via byzantijns naar Huijbers en Louis van Dijk. Een enkele keer verving mijn moeder de pianist en speelde dan Louis van Dijk zo maar ŕ vu weg. Ik volgde een dirigentencursus en nam later zanglessen. Maar mijn belangrijkste leerschool is toch het goed kijken naar andere dirigenten, bijvoorbeeld naar Paul van Nevel of Chris Fictoor. Bij de laatste heb ik ook gezongen. Van hem leerde ik wat het kan zijn om biddend te zingen, wat iets anders is als concerteren.
Later bleef ik hier en daar nog invallen als dirigent of repetitor. In 1988 gebeuren er iets wat mijn leven zou veranderen. Nijmegen kreeg een stedenband met de Russische stad Pskov (380 km. ten Zuidoosten van St. Peterburg). De voorzitter van deze stedenband, Ivo Peeters, is ook dirigent van de Byzantijnse kapel van de Katholieken van de Byzantijnse rite. Hij vroeg mij om bij hem te komen zingen. Ik leerde zo de Orthodoxe liturgie kennen en waarderen. Dat sloot naar mijn gevoel veel beter aan bij de traditionele liturgische vorming die ik van de monniken had ontvangen, dan de studentenkerk. De taal was uitsluitend het Kerkslavisch. Dat is misschien in de Nederlandse situatie voor een parochie van vooral Nederlanders wat star, maar kwam mij in Pskov goed van pas.
Ik werd binnen de stedenband voorzitter van de oecumenische werkgroep kerken en bezoek in die functie jaarlijks Pskov. Door een tip van oud ambassadeur Frans-Josef van Agt, leerden we in Pskov de Russisch-orthodoxe priester vader Pavel Adelheim (1938) kennen. Hij is een bijzondere priester. Zijn Zweedse vader was Luthers en was in 1941 door de communisten vermoord. Als jongen leerde hij in de buurt van Buchara, waar zijn moeder verbannen was, de priestermonnik Sebastián Karagandínsky (1884-1966) kennen. (Karaganda is een stad in Kazachstan, die vanaf 1934 door gevangenen is gebouwd.) Sebastian was een monnik van het Optina Pustin klooster en is in 2000 heilig verklaard. Door deze man is vader Pavel Orthodox geworden. Nadat hij na veel moeilijkheden priester was geworden, lukte het hem in 1967 bij Buchará een nieuwe kerk te bouwen. Deze kerk, in een plaatselijke bouwstijl, staat er nog. Hij wordt nu aan toeristen getoond als bewijs, dat is in de Sovjetunie godsdienstvrijheid bestond.
Maar de realiteit was anders. Moskou greep in: het was een anticommunistische activiteit. Het leverde hem en de gemeentesecretaris drie jaar strafkamp op. In het kamp verloor hij bij een ongeluk een been. Ik die zware tijd ontving hij ansichtkaarten van een Amnesty International groep uit Nijkerk. Na veel omzwervingen en moeilijkheden werd hij uiteindelijk in een parochie op het platteland bij Pskov weggestopt. Pas door de glasnost kreeg hij eindelijk de ruimte om zijn Orthodoxe idealen te verwezenlijken. In 1989 (her)opende hij een oude kerk in de stad Pskov, de kerk van de Mirredragende Vrouwen. Bij die kerk werd een Orthodoxe school geopend met veel aandacht voor liturgie en kerkmuziek. Door de school is de inbreng van kinderen (tussen 7 en 17) in de liturgie van de parochie groot. Zaterdagochtend zingt het kinderkoor. Met grote feesten zijn er twee koren: van de volwassenen én van de kinderen. Vader Pavel is relativerend over het doel van zijn school: "In de eerste plaats hoop ik dat mijn leerlingen goede mensen worden. Vervolgens zou ik blij zijn, wanneer ze ook gelovig blijven. Enkele van hen zullen eventueel later een functie in de Orthodoxe kerk gaan uitoefenen."
Ik mocht ook meezingen in het parochiekoor, dat toen onder leiding stond van Sacha Zakrevskij. Hij had de zware romantische muziek uit de 19de eeuw afgeschaft en vervangen deels door de eenvoudige parochiemelodieën (obichod) en deels door nieuwe harmonisaties van hemzelf en van enkele andere Pskovse componisten. In dorpen van zijn geboortestreek in Wit-Rusland had hij ook religieuze muziek verzameld met een meer folkloristisch karakter. Het was voor mij erg hard werken, maar ook heel leerzaam. Het koor was toen een hechte vriendenclub. De zangers werden ook mijn vrienden. Ik werd door vader Pavel ook binnen gesmokkeld in enkele gevangenissen en weeshuizen, die hij bezocht. Ik zong dan mee met dopen en vieringen. Vader Pavel preekt erg goed. Er komen veel mensen naar luisteren. Hij hecht veel waarde aan geloofseducatie en is op dat punt te vergelijkend met priesters als Aleksandr Mem en Georgij Kotsjetkov. Een deel van zijn preken zijn uitgegeven.
Vader Pavel was al priester in de parochie van de evangelist Matteüs in het dorp Pískovitsi bij Pskov. Daar opende hij een klein weeshuis voor licht gehandicapte kinderen. Het koor was een heel ander verhaal als in de stad. Er zongen vijf "baboesjka's". Naar de muzikale normen van de stad klonk het nergens na, maar het waren toch hele goede gebedsvieringen. Toen ik wat beter Russisch sprak kreeg ik ook met hen een goede relatie. Ze waren vereerd: "Wat goed, dat u helemaal uit Nederland naar óns dorp komt. U bent onze dirigent!" Dat betekende niet dat ze zich iets van mij aantrokken. Ze zongen gewoon, zoals ze dat al hun hele leven deden. En ik heb het nooit in mijn hoofd gehaald daar iets aan te veranderen. De preken van vader Pavel waren aan hen niet besteed. We hadden dan gesprekken over de cadeautjes, die ze aan hun kleinkinderen gaven en dat soort zaken. Eén van de baboesjka's, tante Sjoera, was starosta (kerkvoogdes) van de parochie en woonde in het weeshuis om enig toezicht te houden. Vooral met haar heb ik veel gepraat. Inmiddels zijn ze allemaal gestorven. Er zingen nu jongere mensen uit de stad. Vader Pavel is ook geen priester meer in deze parochie.
Een betere introductie in de Orthodoxie dan door vader Pavel, was waarschijnlijk in mijn situatie niet mogelijk. Maar Orthodox worden is dan nog niet vanzelfsprekend. Vader Andrej Davidov in Pskov zegt daarover: "Orthodoxen moeten Orthodox blijven, en Katholieken Katholiek. Je moet trouw blijven aan je eigen traditie". Daar zit veel in. Meer nationalistische priesters zeggen: "Waarom word je niet Orthodox op onze heilige Russische of Pskovse grond?". Volgens mij kan elke grond en elk volk heilig worden. Wat ik in Pskov geleerd heb, overstijgt de enge grenzen van nationaliteiten en confessies. Ik zal in november Orthodox worden in Deventer, waarbij ik enkele vrienden uit Pskov zal uitnodigen.
Via vader Pavel leerde ik veel mensen kennen, waaronder de iconenschilder archimandriet Zinon, die nu met twee medebroeders, Pjotr en Pavel, in een skite woont in het dorp Zwerstonj bij Pskov. Ik kreeg ook veel oecumenische contacten. Niet alleen Nijmegen, ook de Evangelisch Lutherse kerk in Duitsland, de Katholieken van de Byzantijnse rite in Brussel en de Anglicanen in Tring bij London helpen vader Pavel bij zijn projecten. Hij zegt daarover: "De kerken kunnen niet alles samendoen. Maar wat we wél samen kunnen doen, moeten wij ook samen doen!" Dat is een heel goede uitspraak. Sommige Orthodoxen zijn voortdurend boos en blijven maar schelden op andere Christenen en op Joden. Dat is niet nodig. De Orthodoxe traditie is uit zichzelf zo rijk, dat ze niet steeds een negatief referentiepunt buiten zichzelf nodig heeft. Ik heb trouwens niet alleen contacten met de Orthodoxen in Pskov. Ik bezoek ook de Rooms-katholieken, het Joodse centrum, de Baptisten en Methodisten. Mijn contacten met de Oudgelovigen van Pskov zijn bijzonder hartelijk en zeer interessant.
Ik leerde ook schaduwzijden van Rusland en van de Russisch-orthodoxe kerk kennen. Er is veel geweld. Men is slordig met mensenlevens. Ik bezocht het eiland Zálit in het Pskovmeer, waar de bekende starets vader Nikolaj (Goerjanov) woonde. De kerk en het kleine museum zijn mooi, maar verder is het eiland schokkend. De helft van de inwoners doet niet veel meer dan zuipen en stelen. Ze hebben een rare blauw-bruine huidskleur, waarschijnlijk door een combinatie van buitenlucht en leverziektes. Ik zag opvallend veel gehandicapte kinderen. Er waren regelmatig zelfmoorden. In Rusland vindt je het mooiste en het lelijkste door elkaar.
In 1997 was ik vier maanden in Pskov voor een wetenschappelijk onderzoek, dat ik mocht doen voor het Instituut voor Oosters Christendom (IVOC) van de Radboud universiteit. (Het resultaat is onlangs gepubliceerd: Wedergeboorte in steen. Gebruik van kerkgebouwen en kloosters in Pskov. 1986-2006. Nijmegen 2006. ISBN-13: 978 90 76036 06 9) Toen ik terug kwam vroeg vader Serafim of ik wilde helpen met de zang in zijn parochie. Hij was toen hegumen van het klooster van de profeet Elias in St. Hubert en werkte op het IVOC, waar ik als vrijwilliger bibliotheekwerk deed (en doe). Ik hielp het koor, voor zover mijn werktijden bij de facilitaire dienst van de St. Maartenskliniek in Nijmegen dat toelieten.
Vanuit St. Hubert kwam ik in de koorweekenden van de Vereniging voor Orthodoxen terecht, die eerst door vader Michael Fortunato gegeven werden en later door Annemarie Visser. De theologisch inzichten, die vader Michael en Annemarie uit London meebrachten, waren erg interessant. Achteraf moet je misschien zeggen, dat het voor veel deelnemers te moeilijk was en moeilijk toepasbaar binnen de beperkte mogelijkheden van onze meestal kleine parochies. Ik raakte opnieuw betrokken bij een vertaalslag: van Kerkslavisch of Grieks, naar Nederlands. Ik ervoer de muzikale uitdagingen, die dat met zich mee brengt. De afstemming van tekst en muziek, die in het kerkslavisch vaak perfect is, moet in het Nederlands nog verworven worden. Vertalen is iets heel moeilijks. Met mijn leraar Russisch, Jossi Katevuchnik, ben ik bezig een boekje van archimandriet Zinon te vertalen. (Besedy ikonopistsa, Pskov 2003) Als dat voltooid is, ga ik ook preken van vader Pavel Adelheim vertalen. Letterlijk vertalen, een werkvertaling maken, dat lukt wel. Maar om er dan nog invoelbaar en zingbaar Nederlands van te maken, dat is heel moeilijk. Vertalen is altijd ook altijd uitleggen, interpreteren.
Op dit moment ben ik lid van het koor van de parochie in Deventer en van het Mozeskoor, dat onder leiding staat van de componist James Chater. Sinds januari 2008 ben ik dirigent van het IPOK. Ik wil voorbouwen op wat Joke heeft opgebouwd en daar geleidelijk enige nieuwe uitdagingen aan toevoegen. Eén daarvan is het initiatief, dat Guusje Neijens op koordag van 2007 in Utrecht is begonnen: het zingen van de Paastropaar in vele talen en zettingen. Ik ben open voor andere uitdagingen. Die moeten wel voortkomen, uit wat uit de praktijk van het IPOK als mogelijk en wenselijk van voren komt.
Paul Baars, februari 2008.
|