Prof. Lathouwers

DE VRIJHEID


Deel 2 van de lezingencyclus “De betekenis van Dostojewsky voor onze Tijd”, gehouden op een studieconferentie georganiseerd door de Vereniging van Orthodoxen ‘H. Nikolaas van Myra’ op 3, 4 en 5 november 1988.


Waar wij vandaag over praten, namelijk de vrijheid, moet u niet zien – ik heb dat gisteren al proberen te zeggen – als een soort los thema, dat toevallig ook door Dostojewsky behandeld wordt. Het is onlosmakelijk verbonden met wat gisteren aan de orde kwam, met de neiging van de mens alles te vangen, te begrijpen, vast te leggen.

Op allerlei manieren laat Dostojewsky zien dat vrijheid voor hem meer is dan keuzevrijheid, zelfs als alles vastgelegd is. Juist als alles vastgelegd is – hij zegt dat ergens zo – krijg je dat vrijheid herleid gaat worden tot: ik kan dit doen, ik kan dit niet doen, terwijl het gaat om het vrij zijn van die hele beklemming. Het is niet elke keer een moment van vrijheid of onvrijheid, maar het is een hele houding. En hij zegt ook, zelfs op het eind van zijn leven: ik weet dat ik niet duidelijk kan maken waar het eigenlijk om gaat.

Daarom – ik wil dit nog een keer zeggen – het lijkt als je over deze dingen praat: het falende ‘ik’, vrijheid, religie, of wij weten waar we het over hebben, maar elk woord, en naarmate het het onuitsprekelijke meer nadert (juist voor Dostojewsky), is elk woord eigenlijk even glad en gevaarlijk.

Vandaar dat hij aan het eind van zijn leven nog een keer schrijft: elke keer als ik het onder woorden breng, hoe geraffineerd ook, hoe voorzichtig ook, kom ik achteraf in opstand tegen wat ik geschreven heb. Ik kom er niet uit, en dan denk ik: ik zwijg weer, ik doe het niet meer, maar in dat zwijgen, in dat uitvegen van de plaatjes die ik maak, de woorden, ontdek ik toch die innerlijke drang om het opnieuw te verwoorden. En dan moet ik opnieuw proberen de dingen voor mij even op een rij te zetten .

Dat is, zegt hij, mijn menselijke conditie. Ik formuleer, ik vorm, en ik veeg het weg. En dat geldt, zegt hij, met name met betrekking tot God en de onsterfelijkheid – tussen haakjes, zegt hij, dat is voor mij één en dezelfde onuitsprekelijke werkelijkheid – en alle begrippen waarbij ik aarzelend dat probeer uit te drukken, ook de vrijheid.

Daar moeten wij het dan maar mee doen, met die heel vage omschrijving. Een diepere definitie is niet mogelijk. We moeten ons maar verlaten op wat hij in voorbeelden, in situaties in zijn romans, daarover voorzichtig uitdrukt.

Allereerst – om enigszins een verband te leggen met de lezing van gisteren – laat hij ons zien dat vrijheid – in het Russisch ‘volja’, wat moeilijk te vertalen is – ook betekent die stromen van levend water, letterlijk het stromen. Het betekent ook ‘wil’, maar het is even riskant om het woord ‘wil’ te gebruiken, omdat wij dan denken aan de wil van een ‘ik’, aan wilskracht. Maar hij bedoelt juist dat onderliggende in mij, wat ik niet meer ben, wat leeft in mij.

Dat is zo essentieel, dat hij laat zien dat mensen in zijn romans – dat zijn natuurlijk romanfiguren, maar het is waar wij allemaal aan lijden, hijzelf ook – mensen zijn die voelen: mijn leven, het leven, is totaal bepaald door natuurwetten, psychologische wetten, logica, wetmatigheden, waarbij zelfs God vanuit dat logische denken herleid wordt tot een soort hogere macht, die in plaats van bevrijdend of verlossend te zijn, beklemmend wordt, dat de figuren die daar het ergste aan lijden hun enige redding zien in het bevestigen van hun vrijheid, al is er dan geen andere weg dan de dood om te laten zien: ik ben vrij. Die vrijheid is zo fundamenteel, dat ik daarvoor kies.

Dat zijn natuurlijk grenssituaties, dat zijn romanfiguren, maar in de tijd van Dostojewsky was het aantal zelfmoorden zeer groot. En Dostojewsky is daar zeer nadrukkelijk mee bezig, ook met het ‘waarom’. Hij zegt ergens, over een heel concreet geval als één van de voorbeelden – het is de dochter van Hertsen (hij vermeldt dat niet in zijn boek maar in zijn brieven), de dochter van Hertsen die zelfmoord pleegt – wat moet dat kind zuiver geweest zijn om met heel haar leven aan den lijve te ervaren: ik kan dit niet meer aan. Een leven zo opgesloten is de hel. Als ik dan niets anders kan doen dan uit die hel springen door de dood, dan – zegt Dostojewsky – getuigt dat eigenlijk van haar zuivere ziel.

Zelfmoord was juist in die tijd in Rusland bijna epidemisch onder de Russische intelligentsia, die beïnvloed was door westerse ideeën. En eigenlijk, intuïtief, zonder het te kunnen verwoorden, het gevoel had, het besef: ik kan zo niet meer leven.

Tot twee keer toe voert Dostojewsky zo’n figuur op, die dan kiest voor de vrijheid, al is dat een vrijheid ten dode, de vrijheid van: ik weiger mij te zien als een vliegje in het grote spinnenweb van die eeuwige tarantula. Want dat is, als ik alleen maar mijn logica heb, mijn denken, mijn begrijpen – dat is wat God voor mij wordt. We hebben daar gisteren iets over gezegd.

Ik zal die tekst nu letterlijk lezen – van Hippolyt, die man die uiteindelijk geen zelfmoord pleegt. Hij probeert het, hij schiet zich voor de kop: het pistool gaat niet af. Hij doet dat tijdens een tuinfeest; de mensen zien het niet eens. Hij leest zijn afscheidsbrief voor. Daaruit citeer ik een stukje: ... en hij lacht het weg. Men drinkt en men praat, en men heeft niet eens een besef van de verschrikkelijke vertwijfeling van die jongen. Alleen dat idiote, makke schaap, die Misken, begrijpt het en redt de jongen, zodat deze uiteindelijk op natuurlijke wijze, sterft aan zijn tuberculose, buiten op het verblijf van Misken, die hem de openheid geeft van de natuur, als eerste besef dat er een openheid is van de natuur, als eerste besef dat er een openheid van binnen moet zijn.

Juist dit punt, die openheid: het besef dat openheid – het buiten in de natuur zijn, wat Dostojewsky in Siberië ontdekte – ook zo essentieel is voor openheid binnen – is prachtig beschreven in een boek van de Nijmeegse psycholoog Buitendijk, namelijk ‘De keuze van Hippelt’. Een van de prachtigste en indringendste werken over, met name, de vrijheid en de onmacht te leven als alles stukgepraat wordt, tot en met het religieuze.

Welnu, in die afscheidsrede, die zeer dramatisch is, zegt hij: de religie, het eeuwige leven en God – ik kan aanvaarden dat die bestaan; precies als Iwan in het ‘Kindertraantje’ gisteren. En ik houd dat ook voor waar, met mijn verstand. Het mag dan zo zijn dat mijn bewustzijn is ontbrand door de wil van die hogere macht, van God. Ik laat het ook zo zijn dat die hogere macht het bewustzijn plotseling voorschrijft zichzelf te vernietigen, omdat dat in Zijn wetten past, in Zijn voorzienigheid. Omdat het ergens voor nodig is, al kan ik er niet bij. Oké, ik wil zelfs aannemen, logisch nogmaals, dat het onmogelijk is de wereld anders in te richten dan door deze vernietiging. Ik ben zelfs bereid toe te geven dat ik er met mijn verstand niet bij kan. Maar opnieuw rijst de eeuwige vraag, net als in het ‘Kindertraantje’: waarom is het nodig dat ik dat in deemoed aanvaard? Kan ik mij niet gewoon laten verslinden, zonder Hem te moeten verheerlijken Die mij verslindt? Mij komt het daarom voor dat ik die oneindige kracht, die God, zie als een brute, met stomheid geslagen en duistere macht. En dat ik die soms waarneem in een absurde gedaante, of iemand mij bij de hand meevoert, naar een donkere ruimte brengt, waar ik een enorme tarantula zie, en die mij verzekert dat dit het duistere, brute, almachtige en eeuwige wezen is.

Daar kom ik niet uit. Ik kan niet leven met een God die voor mij de gestalte aanneemt van een tarantula. Daarom zal ik, als dat mijn enige vrijheid is, mijzelf het leven liever benemen dan ik passief en machteloos laten verslinden. Ik uit mijn transcendentie, al is die ten dode opgeschreven.

Een tweede keer, misschien nog dramatischer, is dat in ‘Demonen’, waar Kyrilov overtuigd is geraakt dat er niets anders is dan natuurwetten, psychologische wetten, mechanismen. Zo sterk dat zelfs het schoonste wezen dat geleefd heeft – Christus – door die natuurwetten vernietigd werd.

Dostojewsky was verschrikkelijk getroffen door het schilderij van Holbein, dat u misschien kent: De kruisafneming van Christus. Hij is ooit bewusteloos gevallen – zijn vrouw beschrijft dat – en in de roman ‘De Idioot’ laat hij dat schilderij optreden. Myshkin zegt ook: hoe kun je dat zien zonder je geloof te verliezen, zonder diep geschokt te zijn.

Voor Dostojewsky was dat een onmogelijke vraag. Als de leerlingen van deze volmaakte mens dit lijk hebben gezien, hoe kon er in hen nog een sprankje geloof overblijven? Logischerwijs zou alles gedood moeten zijn. En toch leefde, ondanks het zien van dat lijk, van die gemartelde en terechtgestelde, het geloof. Hoe kan dat?

Hippolyt en Kyrilov kunnen het niet. En ook Kyrilov zegt: als ik dan niets anders ken dan een leven, een bestaan dat totaal gevangen is in wetmatigheden, hoe geraffineerd psychologisch, theologisch, filosofisch ook, dan zal ik mijn transcendentie tonen. Ik ben dat verplicht. Ik zal mijn verschrikkelijke vrijheid tonen, al ben ik de enige. En waarom? Om duidelijk te maken dat, als er niet een God is, totaal anders dan die wetmatige God, die grote duistere macht, het leven een hel is. Ik kan er trouwens niet bij, zegt hij, dat een atheïst, die overtuigd is dat die andere realiteit er niet is, in leven kan blijven. Maar zelfs al ben ik de enige, het zou mijn vrijheid zijn te laten zien: ik aanvaard niet dat het leven alleen maar een demonische macht is, en God, als het ware, de toespitsing daarvan in de vorm van een tarantula.

Tot twee keer toe laat Dostojewsky in zijn romanfiguren iemand zien die aan den lijve de onmogelijkheid ervaart te leven, omdat het een verstikking is, zelfs als met moet kiezen voor een vrijwillige dood. Je zou kunnen zeggen: bij Dostojewsky is er een zeer groot begrip, ook in het ontroerende verhaal ‘De Zachtmoedige’, voor mensen die de wereld zo zien, verminkt door ons denken, zodat ze onleefbaar wordt. En die met hun dood uitdrukken dat ze juist die gevoeligheid en die honger naar het zuivere, en de intuïtie dat het anders moet zijn, nog hadden.

Ook het boek ‘De herinneringen uit het ondergrondse’ is eigenlijk één pleidooi voor die bevrijding van alles wat drukt, van twee maal twee is vier, de logica. Wat is het, zegt hij, dat de mens altijd zijn eigen scheppingen tenslotte toch weer wegveegt. Zoals Dostojewsky aan het einde zegt: Mijn eigen boeken veeg ik door, want het is niet wat ik eigenlijk zou willen zeggen. Wat is het dat de mens zijn eigen scheppingen vernietigt, omdat hij de horizon op het oneindige, het onuitsprekelijke open wil houden. Liever de explosie dan de verstarring. Liever de chaos dan de dood. Dat is de kerngedachte van ‘De herinneringen uit het ondergrondse’.

Het is dat wat hij vooral uitwerkt in de herinnering, in de legende van de grootinquisiteur, die u waarschijnlijk gelezen hebt in de tekst die u gekregen hebt, die mijn studenten ook moeten lezen. Het is een wonderlijk verhaal. Ik zal eerst in het kort de inhoud vertellen, maar dan ook de actualiteit aanhalen. Een verhaal dat, in ‘De gebroeders Karamazov’, Iwan, de geniale denker, maar die ook sterft aan zijn denken, die daardoor verziekt is, aan dat monnikje, zijn broertje Aljosha, vertelt. Een verhaal dat hij verzonnen heeft.

Christus komt opnieuw op aarde in de tijd van de inquisitie, van de grootinquisiteur, de aartsbisschop van Sevilla, in de tijd van de inquisitie, van de terechtstellingen. Een symbool van de Rooms-Katholieke Kerk als macht, waarvoor Dostojewsky een zeer grote huiver had. Hij laat die Christus optreden, zo maar als een weinigzeggende figuur, letterlijk weinig zeggend, gewoon maar ook weinig uitsprekend, alleen geladen met een eindeloos mededogen. Totdat Hij tenslotte gevangen genomen wordt door de grootinquisiteur, ter dood veroordeeld, en in de nacht vóór de terechtstelling een bezoek krijgt van die oude grijsaard, de grootinquisiteur, die Hem verwijt: Jij heb de mensen te zwaar belast, omdat Jij gokte op de vrije keuze van het eigen hart. Jij hebt niet begrepen dat de mensen vaste beginselen willen. Daarover dadelijk.

Ik zal stukjes van die legende voorlezen, omdat het waarschijnlijk één van de meest indringende en raadselachtige passages is, ook wat betreft het einde, in het hele werk van Dostojewsky. En omdat niemand, denk ik, het kan lezen zonder daarmee in zijn eigen leven ook geconfronteerd te worden, want het is niet alleen de katholieke kerk, al is het dat voor Dostojewsky voor een heel groot gedeelte wel.

Hij zegt ergens ook: het is natuurlijk niet álles in de kerk, in de katholieke kerk, maar de meest negatieve macht. Het is ook, zegt hij, de hele samenhang – en dat maakt een link naar onze vorige lezing – tussen de wetenschappelijke ontwikkelingen. Wat in het westen gebeurde, de greep op het leven, is onlosmakelijk met elkaar verbonden, een socialisme zonder God, een communisme dat ontaardt in dictatuur – wat Dostojewsky al voorzag in ‘Demonen’, de verschrikkingen daarvan, met een bijna profetische blik. De ontwikkelingen in de katholieke kerk, met haar machtsstructuren, en de ontwikkeling in het westen van de wetenschap en filosofie is één groot gebeuren, wat hij ook wel noemt: de antichrist. En de ontwikkeling van het leven tot de dood toe, de verstarring op alle gebieden.

Als wij het wat actueler maken – of het nu de grootinquisiteur is, die alles in een boek wil vastleggen, met vaste regels, gedragsregels en dogmatische zekerheden, een boek waar alles in staat, een autoriteit die alles weet – of dat het een marxistische autoriteit is, waar onze neiging zich op een andere manier kristalliseert, en waar men ook alles vangt in een web. Ook marxisten, overtuigde partij-ideologische marxisten, vangen alles in zekerheden, of Freudianen, of om het even welk stelsel dat denkt een antwoord te hebben op alle vragen. De neiging om dat te doen is er altijd, ook bij bewegingen die juist ontstaan als reactie.

Je ziet het bij het christendom, of bij Freud, het ontdekken van het onbewuste, als een onderstroom onder het bewuste; ook dat wordt ideologie. Of de antroposofie, of om misschien nog iets concreters te noemen, een boek dat ik iedereen kan aanraden te lezen, ook omdat het zo dun is en zo direct geschreven, van een Nijmeegs psychiater: Maas. Ik weet niet of iemand hem kent: Maas. En dat boekje heet: ‘Als een man in een brandend huis’. Hij heeft ook andere werkjes geschreven: ‘Bomen spreken’ en ‘Stenen hebben pijn’. Een psychiater die durft te zeggen dat hij vaak zeer onzeker is, dat hij verkrampt tegenover zijn patiënten zit, maar die juist dat ontdekt waar Dostojewsky over praat.

Die in dat boekje met die prachtige titel ‘Als een man in een brandend huis’ eigenlijk zegt, ons leven is: ik zit opgesloten als een man in een brandend huis en ik wil er uit. Ik weet: mijn redding is er uitgaan en ik kan er niet uit. Hoe kom ik daar nog uit? Hij zegt ook: als ik iets ontdekt heb in mijn praktijd als therapeut, dan is het de verschrikkelijke kracht die uitgaat van macht, op alle gebieden. Macht van mensen over mensen, macht van een mens over zichzelf. Ik zou mijzelf dit aandoen, ik moet anders zijn, ik moet mij breken, terwijl wij gisteren gezien hebben: wij kunnen niets.

Wat ga je doen als je ontdekt dat je niets meer kunt? Dat is eigenlijk zijn conclusie. De verschrikkelijke werkingen van macht in een gezin, in een religie, in een politieke groepering, tussen een therapeut en een patiënt, in het onderwijs. Overal ontdekt hij die tarantula van macht, die grootinquisiteur.

Dat is niet op één plek vast te prikken. Dat zou makkelijk zijn. Het is voor ons allemaal permanent, actueel. Want macht kan zeer subtiel zijn. Macht kan werken met woorden in plaats van met fysiek geweld, of met psychologisch overwicht. Maas geeft daar frappante voorbeelden van: hoe je iemand in een hoek kunt manoeuvreren, en hoe gauw wij geneigd zijn dat op allerlei manieren te doen. En hoe belangrijk het voor hem is, steeds weer, het ontmaskeren van macht. In Dostojewsky’s woorden: het ontmaskeren van de grootinquisiteur: een beeld, een symbool van iets wat ons allemaal aangaat.

Terug naar dat verhaal. Het wonderlijke is – het is wat mij het meest heeft getroffen – dat Christus daar niet komt met zekerheden, niet met een duidelijke openbaring. Want er is het gevaar dat elk uitgesproken woord – ook van de zuiverste mens – verstart, dat wij denken iets hard te kunnen maken, vastleggen. Wij willen, zo zegt Dostojewsky het ook, een coördinatenstelstel aanleggen, een soort lijn waarop je kunt bepalen wat wél mag, wat níet mag; waarop alles duidelijk is: vastprikken.

Er is een heel wonderlijk essay dat ik gelezen heb (ik weet niet meer van wie) over een woord in het Evangelie, dat in verband gebracht wordt met de grootinquisiteur. Daar staat namelijk, u kent het: Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt. Maar de tekst in het Grieks luidt: en dat betekent: Oordeelt niet opdat gij daardoor niet uzelf oordeelt. Zodra je gaat oordelen, betekent dat dat jij maatstaven gaat aanleggen; je gaat een spinnenweb aanleggen en onmiddellijk zit je daar zelf als eerste in gevangen.

Wat Christus bij Dostojewsky doet is dát juist niet. Het grote verwijt van de grootinquisiteur is dan ook: U hebt de mensen overschat, want ze kunnen die vrijheid niet aan. Het wezen van de mens is één hunkering naar vastheid, op elk gebied, in uiterlijke vorm, in morele normen, in dogma’s, met een autoriteit die het voor hen zegt. Het geweten op de pastorie, zoals wij het vroeger wel eens formuleerden. Je ging aan de pastoor vragen of je mocht breien of haken op zondag. (Het is misschien een gek voorbeeld).

Deze Christus (in de woorden van de grootinquisiteur) láát de mensen in hun vrijheid. En daarom, zegt hij, laat ik Jou terechtstellen. Want Jij hebt de mensen een te zwaar juk op de schouders gelegd: ze kunnen die vrijheid niet aan. Kijk om Je heen. Hoeveel mensen hebben zich tot Jouw niveau kunnen opwerken? Daarom kies ik voor al die mensen die dat niet kunnen, die zekerheden willen. Ik geef ze die zekerheden en ik neem daar de verantwoording voor.

Het is een zeer dramatisch verhaal. Ook wat betreft het einde. (Ik zal het in gedeelten voorlezen). Allereerst staat er: Christus gaat rond in Zijn eindeloze barmhartigheid. (We zullen daar vanmiddag ook nog over praten). Gisteren bij de avonddienst trof het mij dat er zo nadrukkelijk, al is het misschien in een archaïsche taal, elke keer weer verwezen wordt naar onze onmacht, of men dat nu zondigheid of vervloektheid noemt; onze onmacht tegenover die eindeloze ontferming.

Dat is het precies. Dat is precies wat Dostojewsky, die dit ervaart, in eigen authentieke bewoordingen tracht weer te geven. Dit. En die woorden komen daardoor, denk ik, opnieuw tot leven voor ons. Het zijn – ook door de geschiedenis – zeer geladen woorden. Onze onmacht en donkerte, en de genade als bevrijding. En ook hier: eindeloze barmhartigheid. Hij loop zwijgend en met een stille glimlach, voor eindeloos mededogen, tussen de mensen.

En dan komt Hij bij de grootinquisiteur, die Hem gevangen neemt en tegen Hem zegt: Waarom bent U ons komen hinderen? Wij bezitten immers de sleutels van het Koninkrijk. Wat wij hebben is macht en waarheid. (Ik héb de waarheid: in een boek of in mijn kop). Hoe hebt u dan nog het recht ons ook maar één geheim te vertellen, een openbaring van die wereld waar U uit voortkomt. (U merkt dat hij ook zeer dualistisch denkt. Openbaring is voor hem: naar buiten komen uit een andere werkelijkheid, die ook logische bevatbaar zou zijn, en iets mededelen).

En dan praat hij over de drie verzoekingen. Christus werd verzocht in de woestijn. Dat waren veel reëlere verzoekingen, zegt Dostojewsky, dan wij ze vaak interpreteren. Fortmann heeft hierover een prachtig essay geschreven in zijn boek ‘Als ziende de Onzienlijke’, omdat hij een katholiek priester kende, die weigerde te geloven dat de verzoeking een werkelijke verzoeking was, in de zin van angst en ontreddering in die zuiverste mens, in die Godmens. Misschien kunnen we enigszins denken aan de film die op het ogenblik in discussie is, van Kazantzakis, die als mens, als schrijver, eigenlijk zeer bewogen was en zeer religieus, en ook maar stamelend probeert te zeggen wat het voor hem betekent.

Welnu, Dostojewsky laat Christus de verzoekingen afwijzen, maar het zijn verzoekingen die juist dát inhouden waar Dostojewsky de grootste angst voor heeft: toch weer houvast te krijgen, toch weer een zekerheid, een autoriteit. Een spektakelstukje: brood uit stenen maken; je van de tempel naar beneden gooien. En dan zegt hij (de grootinquisiteur): Had het gedaan! Want door dat voorbeeld had Jij de mensen geboeid. (We zeggen ook: ik ben in de ban van iets; ik ben geboeid. Maar dat betekent: ik ben onvrij.) Maar Jij weigerde de mensen te boeien. Is het mogelijk iets te zeggen dat meer waard is dan wat de Satan U in die drie vragen te verstaan gaf? Maak stenen tot brood. Werp U van de tinnen van de tempel. En maak een geweldig, gigantisch rijk met een centrale macht. U verwierp dat.

Dat wat in de boeken de verzoekingen heet. En toch werd daarin heel de geschiedenis van de mensheid samengevat, door middel van drie beelden. Alle onoplosbare tegenstellingen van de menselijke natuur liggen hierin opgesloten. Dostojewsky laat ook zien dat Christus het wil houden bij de onoplosbare tegenspraken en die niet logisch wil ontwarren. Het is een vraag waar je met je verstand op te pletter moet lopen. ‘Destijds was dat niet duidelijk. De toekomst was nog in nevelen gehuld. Maar na vijftien eeuwen zien zij dat in die drie vragen precies alles is voorspeld en voorzien’. En dan gaat hij er nader op in: ‘U wilde met lege handen de wereld ingaan. Met lege handen’.

Het is misschien niet de plaats om daar nu op te wijzen, maar wat mij getroffen heeft is het levensverhaal van één van de prachtigste oosterse wijzen, mystici – Dogen, in Japan, een boeddhist uit een heel andere cultuur, die precies op het moment van zijn innerlijke ommekeer, van zijn metanoia, ook zegt als men hem vraagt: wat heeft u ons te leren? Antwoord: Ik kom met lege handen.

Ik kom met lege handen, zegt deze Christus. – En U gaf de mensen de belofte van vrijheid, die ze in hun onnozelheid en aangeboren bandeloosheid niet aankunnen. Waarvoor ze angst en vrees hebben.

U kent misschien het boek van Erich Fromm ‘Angst voor vrijheid (Flight for Freedom)’ Het laat onmiddellijk zien hoe actueel het voor ons is. Erich Fromm, leerling van Freud, met een zeer grote openheid, ook voor het religieuze, laat zien hoe groot onze angst voor vrijheid is, en wijst ons op de actualiteit van de legende van de grootinquisiteur. ‘Want nooit’ zegt hij (de grootinquisiteur), nooit en te nimmer is er iets geweest wat mensen en maatschappij minder verdragen konden dan vrijheid.

Nogmaals, dat is niet de vrijheid van doen wat je wilt; het is het vrij zijn van een systeem, dat Fromm noemt: de baarmoeder, waar je in kunt blijven, de politieke partij, de groepering, de ideologie.

Ziet U die stenen in die geblakerde woestijn? Maak er broden van, en heel de mensheid zal als een dankbare, gedweeë kudde achter U aandrommen. Maar U wilde de mens niet van zijn vrijheid beroven. Want een spektakelstukje maakt je afhankelijk. U verwierp dat voorstel. Maar weet U wel dat uit naam van dat brood de geest van de aarde tegen U zal opstaan? Geef ze eerst te eten. En praat dan over een deugdzaam leven.

Dat was overigens waar Dostojewsky in elke discussie in zijn tijd op terugkwam. Hoe belangrijk het ook is brood te geven, jullie – dat zegt hij tegen de mensen die dit leven willen hervormen, zoals in het boek van Koestler: ‘De commissaris en de yogi’, de commissaris die de wereld van buiten wil veranderen en de navelstreng met de diepste grond verloren heeft, en de yogi die de navelstreng wel bewaart maar naïef is – Dostojewsky zegt: allereerst zullen wij die band met onze diepste grond moeten herontdekken. En dat verwijt hij aan alle activiteiten die sociaal zijn. Jullie zien alleen maar brood, ook al ziet hij in dat dat ook moet gebeuren.

De mensen zullen uit zichzelf hun vrijheid aan onze voeten leggen en tot ons zeggen: maak ons maar tot jullie slaven, als jullie ons eerst maar te eten geven. Ze zullen inzien dat vrijheid en voldoende brood onverenigbaar zijn. Want nooit zullen zij met elkaar kunnen delen. Ze zullen tot de overtuiging komen dat ze nooit vrij kunnen zijn, vanwege zwakte, verdorvenheid, nietswaardigheid en opstandigheid. Ze kunnen de vrijheid niet aan.

Niets is er – en ik denk dat dat een zeer diepe intuïtie van Dostojewsky is: hij heeft zelf ontdekt hoe lang het duurde en wat er met hem moest gebeuren, voordat het losscheurde in hem, voordat hij door de cocon van zijn zekerheden kon heenbreken, voordat hij zich kon overgeven, het kon loslaten, die neiging om toch weer alles op een rijtje te zetten – er is niets wat de mens zo kwelt als de onophoudelijke zorg om, zodra hij vrij is, een idool te zoeken, waarvoor hij kan neerknielen.

Het kan niet anders of U moet dat diepste geheim van de mens gekend hebben. Maar U hebt het enige, absolute middel dat men U voorstelde van de hand gewezen. Het enige middel waarmee U allen zonder uitzondering kon dwingen voor U te knielen: het wonder, het spektakel. Als de mens geen vast doel, geen vastheid, geen zekerheid voor ogen heeft, zal hij zich eerder van het leven beroven, dan er in toe te stemmen op aarde te blijven. Zo is het.

Maar wat hebben wij gezien? In plaats van de vrijheid van de mens af te nemen, hebt U hem een veel grotere vrijheid gegeven. U hebt geen vaste beginselen gegeven om zijn geweten eens en voor altijd tot rust te brengen. In plaats daarvan bracht U hem allerlei vreemde, raadselachtige en vage ideeën. En het woord idee, ‘duma’ in het Russisch, is ook anders geladen dan bij ons: een idee in je kop.

Allemaal dingen die de kracht van de mensen te boven gaan. Maar hebt U er dan werkelijk niet aan gedacht dat de mens zelfs Uw enige, lichtende voorbeeld zal loochenen en bestrijden, als hij gebukt moet gaan onder zo’n vreselijke vrijheid?

En dan vat hij dat nog één keer samen. Er zijn drie krachten op aarde die de mensen kunnen binden: het wonder – maar niet in de zin waar wij het vanmiddag over zullen hebben, in de zin van verwondering, het wonder waarbij alles mysterieus is, prachtig is, als je ogen opengaan, omdat het elke keer nieuw is – maar het wonder als spektakelstuk. (U ziet hoe moeilijk de vertaling is.) ‘????’, is spektakelstuk, het wonder, het geheimzinnige, het mysterie in de zin van: er is een andere wereld waar jullie niets van weten en ik wel, verborgen en autoriteit.

U verwierp dat. Toen de verschrikkelijke geest op de tinnen van de tempel tot U zei: Als U wilt weten of U de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden. Toen weigerde U dat. U wees het af. Uw gedrag was fier en indrukwekkend als van een god. Maar het zwakke, opstandige ras van mensen is geen geslacht van goden. Hebt U werkelijk één ogenblik kunnen geloven dat de mensen een dergelijke verleiding konden weerstaan? Is de menselijke natuur, zonder houvast, zo geschapen dat ze in staat is het wonder, het spektakel af te wijzen?

En in de verschrikkelijke momenten van het leven, momenten waarbij het gaat om de diepste, kwellendste en meest fundamentele problemen, alleen te zijn, om op zulke momenten zich te kunnen houden aan de vrije beslissing van het eigen hart. Dat is de kern.

U wist niet dat de mens, zodra hij dit alles zou afwijzen, ook God zou afwijzen, want de mens zoekt niet zozeer God als het wonder, het houvast. (Wat God is voor Dostojewsky zullen we vanmiddag proberen voorzichtig aan te geven). U hebt dat niet gedaan, omdat U de mensen niet wilde onderwerpen. U wilde dat ze uit eigen beweging in die vrijheid zouden geloven en niet op gezag van een spektakelstuk. U wilde spontane liefde en niet de slaafse aanbidding van een vazal tegenover de machthebben, de tovenaar die hem eens en voor altijd de schrik heeft aangejaagd met zijn hocus-pocus.

Maar U hebt de mensen te hoog aangeslagen. Ze blijven per slot van rekening slaven, al kunnen ze het nooit nalaten te rebelleren. Kijk om U heen en oordeel. Na vijftien eeuwen, wat ziet U? Wie hebt U tot Uw hoogte opgeheven? De mens is zwakker en nietiger dan U wilde aannemen. U bent te kort geschoten in medelijden door die mens zo hoog te achten en hem zijn vrijheid te laten. Bent U dan werkelijk alleen maar voor de uitverkorenen op de wereld gekomen?

Het is niet alleen een aanklacht. Het is ook een vraag die onoplosbaar is. Als je constateert – en dat is natuurlijk de grootheid van de grootinquisiteur – de onmacht van de mens om die vrijheid aan te kunnen, en als je de mislukking ziet en de ellende, als je ziet dat je geen enkele kant meer uit kunt, wat dan?

Ook dat verhaal van de grootinquisiteur spitst zich toe, voor Dostojewsky, voor de lezer, op die onmogelijke vraag. Het is een poging ons wakker te maken. Niet alleen een verhaaltje om, bijvoorbeeld, autoriteit in welke richting ook, bijvoorbeeld de katholieke kerk, aan te klagen. Dat is het ook, maar het is meer dan dat. Het is opnieuw die angel in onze geest die ons duidelijk maakt: maak je er niet te simpel van af. Wat ga je doen als je ontdekt dat het blijkbaar mislukt? Als dat werkelijk zo is, dan is dat een mysterie dat we niet begrijpen. Maar dan heb ik ook het recht mijn mysterie te prediken, uit liefde voor de mensen. En ze zullen zich maar aan ons moeten overgeven.

Eigenlijk zegt hij: wij hebben – hij bedoelt nogmaals de katholiek kerk als hij hier spreekt – Uw werk verbeterd en het gegrondvest op die zekerheden. Tot en met de kwellendste vragen van hun ziel zullen ze aan ons voorleggen. En wij zullen de beslissing nemen en alles zullen ze ons aandragen. En ze zullen met vreugde ons besluit aanvaarden, want ze worden verlost van de zware last en de verschrikkelijke kwelling van de vrije, persoonlijke antwoorden van het eigen hart.

Tenslotte zegt hij dan: als U de derde raad van de geest had opgevolgd, dan had U alle verlangens bevredigd. Ze verlangen om neer te knielen voor een hogere autoriteit, want de behoefte aan een universele eenheid, een eendrachtige mierenhoop, is de derde en laatste kwelling van het mensdom.

Het einde van het verhaal is even raadselachtig. Het geeft ons geen antwoord. Het is niet iets als een soort boodschap waarvan men kan zeggen: nou weet ik het. Christus blijft zwijgen. En dan zegt de grootinquisiteur nogmaals: Ik laat Je ter dood veroordelen. Maar ik weet, aan het einde der tijden zul Je terugkomen. Jij zult winnen, in macht en majesteit. Maar dan zal ik opstaan en wijzen op die ontelbare menigte mensen die de vrijheid niet aankon. En ik zal zeggen: oké, veroordeel mij maar. Hier sta ik, de grootinquisiteur, die uit liefde, uit begrip voor de mensen hun de vrijheid uit handen nam en hun beginselen gaf, de zekerheden waarmee het leven draagbaar werd, al heb ik het leven daarmee gedood. En het einde is, als Christus blijft zwijgen, dat Hij tenslotte de grootinquisiteur een kus geeft. Wat is dat?

Wat is dat? Is dat aanvaarding? Is dat verwerping? Is dat afscheid? Als het alleen zwijgen was geweest, dan was het hoogmoed geweest. Want dan – ik heb dat ooit op de televisie gezien, in een uitvoering van Henk van Ulsen, waarbij dat laatste niet aan bod komt, en dan zie je een zwijgende Christus, die ook weer een autoriteit lijkt te worden. Oké, je hebt gelijk, grootinquisiteur, maar uiteindelijk zal Ik je hebben. Maar dit, bij Dostojewsky, is een Christus die hem uiteindelijk niet heeft. Want Hij kust hem. Hij kust hem met liefde. Hij kust hem op dezelfde manier waarop later Zosima de ontredderde Dimitri, die jaagt op het vriendinnetje van zijn vader, en die mensen in elkaar ramt, en één en al agressiviteit is en verscheurd wordt door zijn lust naar Sodoma, dan zal die oude monnik op zijn knieën vallen.

Die kus is ook zoiets. Wat moeten wij ermee aan dat blijkbaar in het leven onmacht tegenover vrijheid is, een vernieling door autoriteiten? Wordt zelfs dat aanvaard uiteindelijk? Ook hier is het laatste woord een oneindig mededogen, waar niet Christus, maar wij moeten zwijgen. En elke keer maar weer moeten beseffen, als een doorn in ons wezen, wat is dit?

Ik denk – na een lezing – dat het voor mij elke keer weer zeer moeilijk is daar nog onderuit te komen. En dat het leven blijft; zo’n verhaal is, denk ik, al veel. Dat is opnieuw het roeren in de ziel en de wond openhouden. Wat Dostojewsky wil, dat zal altijd op onze weg komen, de autoriteit, overal. Ik zie dat bij mensen die een goeroe volgen, bij mensen die, bijvoorbeeld, in de Zen-wereld terecht komen. Waar dan ook, op universiteiten, in stromingen, de oproep van deze Christus het eigen hart te volgen.

En om het toch enigszins toe te spitsen, omdat Dostojewsky daar wel degelijk op blijft hameren, dat het ook voor hem de katholiek kerk is – ik zal dat stukje voorlezen, dan zal ik dadelijk nog iets vertellen over een visie op deze Christus van een katholiek cultuurfilosoof, die ik overigens zeer hoog acht, namelijk Goardini.

Maar eerst Dostojewsky. ‘De Idioot’, de prins die zo weinig praatte en die eigenlijk alleen maar door zijn houding aangeeft wat voor hem het leven is, en die mensen wakker maakt – die spreekt één keer fel. Hij doet dat onhandig, zoals hij is. Hij stoot een heel grote vaas om, een kostbare vaas, maar desalniettemin (ik zal dat voorlezen). Er zijn overigens meer passages in dat werk waar Dostojewsky voorzichtig laat zeggen dat (ik lees het voor uit ‘Demonen’) het rooms-katholicisme geen zuiver christendom meer is, maar een Christus belijdt die geen weerstand geboden heeft aan de verzoekingen in de woestijn. En in ‘De Idioot’ misschien nog duidelijker.

Nogmaals, het is niet alleen daar. Laten wij nooit een zondebok zoeken in één richting. Het is overal, dat gevaar. Maar met name hier zeer sterk en gevaarlijk gekristalliseerd. Myshkin dus: het rooms-katholicisme is een onchristelijk geloof. (Ik moet dat voorlezen; het zijn woorden van Dostojewsky).

Dit in de eerste plaats: ik lees dit ook aan mijn studenten aan de Universiteit van Leuven voor; en ten tweede, dit katholicisme is nog erger dan het atheïsme, vind ik. Het atheïsme predikt alleen maar dat er niets is, maar het katholicisme gaat verder. Het geeft een vertekend beeld van de Christusfiguur, die het zelf heeft vervalst en geschonden. Iets wat tegengesteld is aan Christus.

Echt waar, ik verzeker het u. Het is mijn persoonlijke overtuiging, die ik al heel lang toegedaan ben en die mij veel tweestrijd heeft bezorgd. Hier wordt een geloof aangehangen dat de Kerk zich zonder universele macht op aarde niet zou kunnen handhaven, en roept uit: non possemus. Dat gaat over de encycliek waarbij de Kerk bevestigt niet zonder de staatsmacht van het Vaticaan te kunnen. Volgens mij is het rooms-katholicisme zelfs geen geloof, maar een voortzetting van het westromeinse keizerrijk, waarin alles aan het idee van macht onderworpen is geraakt.

We beginnen met het geloof. Er was, zo’n drie dagen geleden, in de krant een berichtje over een rede van Sacharov over Gorbatsjov. Ik weet niet of u het gelezen heeft. Dat was precies over macht, waar wij ook aan voorbij kijken. Gorbatsjov is zeer in. Maar wat zegt Sacharov?

Deze man, die bij ons zo liberaal overkomt, bekleed met zoveel macht, steeds meer geconcentreerd in één persoon. Dat is demonie, dat wordt levensgevaarlijk. Dat is een valkuil. Dat is een tijdbom. Als daar, in die structuur, in plaats van de persoon die al zoveel macht heeft, een ander komt, is dat de ondergang. Ja, dit is ook een aanwijzing hoe dat altijd op de loer ligt. Ik denk zeker dat ook binnen de katholieke kerk er heel veel verzet is, goddank, tegen wat nog altijd in Rome gebeurt, zeker nu. Ik denk dat het zeer te duchten is wat daar gebeurt. Maar nogmaals, het is overal te duchten. En daar spreekt Dostojewsky eerlijkheidshalve ook over. In ‘De Gebroeders Karamazov’, eigenlijk naar aanleiding van de groot-inquisiteur, als dezelfde Iwan, die dat prachtige verhaal schrijft, maar ook in zijn denken gevangen blijft – het is door hem niet beleefd van binnen uit – een opstel schrijft over wat kerk en macht zou moeten zijn. Ik zal dat voorlezen, want hij spreekt dan over de Orthodoxe Kerk. En Zosima, die monnik, en Paissy, de priestermonnik, bevestigen dat in de roman.

Wij weten dat Dostojewsky, die vaak in Optina Pustin kwam, een Russisch klooster dat praktisch met de grond gelijk gemaakt is, maar sinds kort weer hersteld is – er zijn daar, dacht ik, een twintigtal monniken sinds een jaar – dat Dostojewsky daar altijd kwam bij een monnik vanuit de richting van het hesychasme, dat is de richting van het meditatieve, stille gebed, wat nóg bestaat. (U zult vanmiddag – ik zal daar bij zijn – ook een lezing horen over het Jezusgebed). En bij één van deze mensen is Dostojewsky vaak gaan praten en deze drukt eigenlijk uit wat Paissy en Zosima hierover zeggen.

Ik zal voorlezen wat Iwan daarover schrijft, en wat zij dan bevestigen. Dat is het enige stuk, denk ik, waar Dostojewsky zo precies praat over wat voor hem kerk is. En naar aanleiding van dit stuk heeft hij zeer vele bewogen brieven gekregen.

Mensen die dat als bevrijding voelden, die voor het eerst ontdekten: hier is het gezegd; al heeft hij ook kritiek gekregen uit bepaalde kerkelijke kringen. Hij verkondigt dat de kerk niet buiten de wereld als een apart systeem, met eigen wetten, eigen moraal, eigen gezagscriteria bestaat, maar in en door de wereld als een desem, om die van binnenuit te transformeren. Alleen van binnenuit te bezielen. Met het oog daarop – staat er letterlijk – moet de kerk derhalve niet proberen – want nogmaals, het zal overals gebeuren; aan mijn eigen universiteit, in het onderwijs, is deze verwording tot macht en instituut even bedreigend – een afgebakende hoek in de wereld te worden, zoals andere maatschappelijke organisaties.

Integendeel, elk aards rijk zal op den duur geheel en al vanzelf in de kerk moeten oplossen, erin opgaan, alleen kerk moeten worden. En daarbij dienen alle doelstellingen die niet met de kerkelijke idealen stroken, te worden afgezworen. In plaats van dat de kerk macht wordt en haar macht uitbreidt, zal de kerk haar macht moeten oplossen en het andere moeten toelaten. En wat er buiten de kerk juist aan macht is zal alle macht moeten verliezen om in die ruimte qua macht te vervloeien; waar het leven nog is, dat levende water, om ook levend te worden.

Daarom zijn, bijvoorbeeld, de beginselen van het kerkelijk recht, die opgesteld zijn naar analogie van het wereldlijk recht, maar evenzeer al het andere wat in de kerk aan autoriteit, gezagsstructuur en systeem is aan te wijzen, hoogstens een tijdelijk, en in onze zondige en onvolmaakte tijd, onvermijdelijk, dat ook, onvermijdelijk een compromis. Maar ook niet meer.

Zodra men deze beginselen, wat Rome doet, zal trachten te verabsoluteren door te verklaren dat ze onwankelbaar, elementair en eeuwig zijn, ex cathedra, vanuit het gezag, gaat men in tegen het wezen van de Kerk en haar eeuwiglevende doelstellingen. Zowel de starets Zosima als Paissy onderstrepen dat. En met name Zosima zegt dan: Inderdaad, het is zo dat het Rijk Gods geen juridische categorieën mag hanteren waar het menselijke schuld betreft. En helemaal niet mag werken met strafmaatregelen. Dat is Zosima.

Slechts het schuldbewustzijn, het besef van eigen onmacht – de lezing van gisteren – het persoonlijke geweten dient de schuldige mens terug te roepen naar de genade en het licht. En dan besluit hij met een prachtige tekst, waar ik de lezing ook mee zal besluiten. Waar hij eigenlijk zegt: Als ik ook dit wat ik nu zeg logisch bekijk, sta ik weer voor een muur. Hoe kan dat? Precies als de grootinquisiteur. Als ik zie dat de mensen niet die vrijheid aankunnen en dat dit toch altijd weer groeit, ook in de kerk, wat doe ik dan? Waar sta ik dan?

Het is waar, zegt hij, dat de christelijke gemeenschap nog altijd geen werkelijkheid is en nog altijd slechts steunt op de zeven rechtvaardigen: een oud joods verhaal, ook in Rusland zeer bekend. Zolang echter zij, die enkelingen, niet versagen zal de verwachting levend blijven dat ooit het onmogelijke mogelijk wordt, dat ooit de maatschappij van een bijna heidense samenleving vanuit macht getransformeerd zal worden in één over de hele wereld zegevierende kerk, zonder macht. Zo zij het. Amen.

Al is het ook op het einde der tijden, wan dit alleen is voorbestemd om werkelijkheid te worden. Soms lijkt Dostojewsky zeer pessimistisch, als hij onze onmacht laat zien, zoals gisteren ook de vesperdienst de onmacht benadrukte tegenover de vergeving. En toch wordt dit werkelijkheid. Dit alleen. En men moet zich niet in de war laten brengen door zijn verstand, wat men denkt over tijden en perioden, en hoe lang nog. Want het mysterie van de tijd en de periode is in de schoot van Gods wijsheid verborgen, in Zijn liefde.

En wat volgens menselijke berekeningen en overtuiging en zekerheid nog heel veraf en onmogelijk lijkt, staat volgens Gods liefde misschien al voor de deur en bevindt zich welhaast aan de vooravond van Zijn verschijning in de wereld. Dat dit laatste waar moge zijn. Hij zegt dan nog één keer in het oud-kerkslavisch: ????, ???? – laat dit zijn. En dan zwijgt ook Zosima. Uiteindelijk moeten wij ook dit allemaal met zwijgen aanvaarden, denk ik, en op ons in laten werken.

Dank u wel.



De lezing gaf aanleiding tot een vraag van één der deelnemers aan de conferentie over Goardini. In zijn lezing verwees Prof. Lathouwers naar de visie op Christus van Goardini, maar hij verzuimde in zijn betoog daarop terug te komen.

Goardini heeft, onder andere, een boek geschreven over Dostojewsky: ‘Religiöse Gestalten in Dostojewskys Werke”. Zeer positief. Goardini is iemand op wie Fortmann zich beroept, wanneer hij schrijft over Serafim van Sarov en de religieuze ervaring, en over het feit dat bij ons de zintuigen verstopt zijn. Wij zullen daar vanmiddag verder over praten. Goardini was de eerste die dit aan de orde durfde te stellen, namelijk dat religie in wezen ervaring is en dat onze zintuigen schoonheid kunnen waarnemen. En toch breekt Goardini zijn nek over de Christus van Dostojewsky en zegt letterlijk: De Christus van Dostojewsky is niet de Christus van de Katholieke Kerk. Hij zegt dit vooral omdat Dostojewsky naar zijn mening een Christus tentoonstelt die geheel aan het verstand voorbij gaat. Goardini verdedigt dat macht ook een realiteit is die ten goede kan zijn. En dat de autoriteit van de Kerk onder meer wordt uitgedrukt door de Kurios-gestalte. Christus, niet alleen als de figuur die eindeloos mededogen uitstraalt, maar ook de figuur van macht, de rechter. Hij wijst dan op een passage uit ‘Demonen’, waar Marja Libjatnika (we zullen die tekst vanmiddag lezen) een moment heeft van ongelofelijke ontroering en vermorzeling des harten. Hij zegt dan: Dit is voor mij, als katholiek theoloog, heidendom. Dit kan niet. En ook de houding van een Christus die daar zwijgend staat strookt niet met de katholieke leer. Bij Dostojewsky, in zijn dagboeken, komen we tegen dat hij zegt: Deze Marja Kibjatnika gebruik ik om uit te drukken wat voor mij – laat ik het aarzelend zeggen – religieuze ervaring is, met tranen en wat dan ook erbij. We zien in het boek van Goardini over Dostojewsky inderdaad zeer veel begrip, maar wat betreft Christus en de uiterste deemoed onbegrip.